Nabij

‘Ik had al jaren te kampen met vermoeidheid, angstaanvallen, zweetaanvallen, oorsuizingen, fysieke mankementen, neerslachtigheid, lusteloosheid en mentale prikkelbaarheid. Om er een noemer op te plakken: angst en depressie. Ik passeerde langs verschillende ambulante psychiaters en probeerde zelfhulpprogramma’s, maar zonder resultaat.’ Toch was de stap naar een opname ook voor Bart* (26) niet evident. ‘Een opname was voor mij een laatste redmiddel, een laatste strohalm, de ultieme stap waarmee ik wilde aangeven: het gaat niet meer. Het heeft lang geduurd voor ik die stap heb gezet, maar in de maanden voor mijn opname ging het heel slecht met me. Ik ben dan ook via de spoed in het Algemeen Ziekenhuis op de opname-eenheid Oever en vervolgens op behandeleenheid Rif beland.’

Ondertussen verblijft Bart al een kleine tien maanden op Rif. Daar vindt hij rust. ‘Je leeft hier in een beschermde, veilige omgeving, afgeschermd van de buitenwereld en van sociale verplichtingen. Je moet je geen zorgen maken over eten, kuisen, werk, vervoer of noem maar op. Voor even kan je hier enkel en alleen op jezelf focussen. Zeker in de beginfase brengt dat rust. Maar hoe langer je hier bent, hoe meer je beseft dat werken aan jezelf soms heel lastig is. Het klinkt misschien gek, maar het zorgt ook voor stress. Doorheen alle therapieën en gesprekken word je voortdurend geconfronteerd met jezelf en je problemen. Er komen dingen naar boven die de boel op stelten zetten in je hoofd. Je bent intensief bezig en dat is vermoeiend.’

De opname betekent voor Bart dat hij grenzen moet afbreken, grenzen tussen hemzelf en de buitenwereld. ‘Ik vind het heel moeilijk om contact te maken met anderen. Je laten opnemen is nu net iets wat je niet alleen kan doen. Maar de stap zetten om je te laten helpen en anderen toe te laten, zijn voor mij heel moeilijk. Het is mijn tweede natuur om op mezelf terug te plooien en anderen buiten te houden. Dat is een belangrijk werkpunt. Daarom vind ik het ook zo confronterend wanneer mensen mij keer op keer als afstandelijk omschrijven. Ze zeggen dat ze geen hoogte van mij krijgen of dat ze me moeilijk kunnen bereiken. Voor mij is het moeilijk om in te zien wat ik anders doe dan anderen, laat staan om hier iets aan te veranderen. Anderzijds kom je op de zorgeenheid ook in contact met lotgenoten. Je beseft dat je niet alleen bent, dat er nog mensen zijn zoals jij. De verhalen van anderen zijn soms herkenbaar en dat doet deugd. Dan voel je je even niet alleen.

‘Eigenlijk heb ik pas tijdens de therapieën beseft dat ik moeilijk contact kan maken met anderen. Ik heb veel aan mijn wekelijkse gesprekken met de psycholoog. Het klikt met haar, zij is de persoon die me hier het best kent. Tijdens onze gesprekken komt veel naar boven. Terwijl ik in eerste instantie mijn psychische problemen verstandelijk probeerde te verklaren, heb ik doorheen de gesprekken geleerd om ook mijn gevoelens een plaats te geven. Ook de muziektherapie en mindfulness hebben me hierin geholpen. In de relaxatieoefeningen leer je omgaan met wat aanwezig is in je lichaam, zonder in paniek te slaan. Dat geldt ook voor muziek, omdat muziek spontaan gevoelens losweekt, zonder dat je die onder woor- den moet brengen. Ondertussen durf ik al veel meer te vertrouwen op mijn gevoel. Ook aan het contact maken met anderen probeer ik te werken. Ik realiseer me dat ik sommige dingen anders zal moeten aanpakken, wil ik niet opnieuw met dezelfde problemen geconfronteerd worden. Het begint met kleine zaken: me proberen open te stellen voor therapeuten, de verpleging, de psychologen. Me niet afzonderen, maar juist contact zoeken op momenten dat ik me slecht voel. Het is geen grote ommezwaai, maar het betekent veel voor mij.’

Een andere sleutelfactor in de behandeling die Bart aanstipt, is de open feedbackcultuur op de zorgeenheid. Wat Rif uniek maakt, is dat patiënten op bepaalde momenten mogen deelnemen aan de teambesprekingen. ‘Er wordt regelmatig tijd gemaakt voor een persoonlijk gesprek met je persoonlijk begeleider en de dokter. Na drie maanden hebben we het eerste ‘miniproces’. Dan blikken we kort terug op de eerste drie maanden van het verblijf. Vragen als ‘van waar kom je’, ‘wat gaat goed’ en ‘wat niet’ staan hier centraal. Na zes maanden is er vervolgens het ‘maxiproces’. Je zit samen rond de tafel met alle therapeuten, je persoonlijk begeleider, de psychiater en de verantwoordelijke van de zorgeenheid. Het is de bedoeling dat we aan de hand van vijf kernvragen samen terugblikken op de opname en het therapieprogramma. Alle betrokken hulpverleners geven feedback over je evolutie vanuit hun invalshoek. Het deed me goed van iedereen te horen dat ik op de goede weg was. Dat gaf me een duwtje in de rug. Ik had ook het gevoel dat er naar mij geluisterd werd toen ik bijvoorbeeld vroeg om meer contactmomenten met mijn psychiater. Ze staan hier open voor meningen en opmerkingen van de patiënten en dat is fijn.’

Voorzichtig durft Bart weer dromen van een leven buiten de grenzen van het ziekenhuis. ‘Een datum voor ontslag is er nog niet, maar ik volg ondertussen wel arbeidstrajectbegeleiding op Tracé 7. Wil ik terug aan de slag als metser in de bouwsector? Dat soort vragen spelen toch al in mijn achterhoofd. Ik hoop dat ik terug aan het werk kan, een woonst vind en een stabiel leven kan opbouwen. Wat voor de meeste leeftijdsgenoten vanzelfsprekend is, een huis kopen, stilaan aan klein mannen beginnen, dat is voor mij allemaal even gestopt. Ik hoop de draad terug op te pikken wanneer ik hier buiten kom.’


Bart*

*Bart is een schuilnaam