Van 40 tot 50 jaar, 10 jaar uit een mensenleven

‘Op mijn veertigste kreeg ik van zowat iedereen deodorant, douchegel en shampoo toegestoken. Alsof men mij wilde zeggen dat ik me beter moest verzorgen. Ondertussen is mijn persoonlijke hygiëne een stuk beter. En wie zich goed voelt in zijn vel, straalt dat ook naar buiten uit. Het kan altijd nog beter, maar jamais parfait. Tien jaar geleden liet ik mij ook gemakkelijker doen door de mensen om mij heen: medebewoners, mijn ouders, mijn broer. Nu durf ik uitkomen voor mijn mening, ook al is die anders. Lang heb ik geprobeerd voor iedereen goed te doen en goed te zeggen, maar wat ik niet mag doen, is genegenheid veinzen. Veinzen is doen alsof, terwijl je veel meer bereikt met eerlijkheid. Zelf ben ik vaak de romantische toer opgegaan. Op andere momenten ben ik de nuchterheid zelve. Las daartussen wat anarchistische trekjes in en je hebt een ‘dodelijke’ cocktail van chronische schizofrenie. Iedereen heeft verschillende kantjes, maar wanneer het veertje springt, dan knapt er iets vanbinnen en wens je jezelf alleen nog maar dood. Letterlijk.

Mijn laatste opname dateert van 2001. Weer had ik een afzonderingskamer vandoen om te kalmeren. Ik had een slechte ervaring met een isolatiecel, maar ik zou dat nu weten om te buigen tot een kalmeringsruimte wanneer er weer eens teveel prikkels ineens op mij afkomen. Grootheidswaanzin, godsdienstwaanzin (ik ben God, ik geloof niet in God, dus ben ik zot), achtervolgingswaanzin, paranoia, ik heb het allemaal gehad. En ik wil het niet meer meemaken. De medicatie zwakt de ergste hoogtes en laagtes af. Ik kan niet meer zonder pillen.

Nu lijd ik aan gestabiliseerde chronische schizofrenie. In de Winkler Prins-encyclopedie van mijn geboortejaar 1964 staat gespleten persoonlijkheid. Voor mij dekt die term de lading volledig. Het sluimert in ieder van ons, maar bij de ene breekt het uit en bij een ander wordt het nooit getriggerd. Wat haalt de trekker over? Het is iets dat stilletjes groeit: foute ideeën rond het verleggen van grenzen. Zo krijgt een 24 urendag opeens 32 uur: acht uur slapen en 24 uur werken. Tweemaal per dag rijst eten. Na zes maanden was ik ondervoed en overspannen. Ik heb er slaapproblemen aan overgehouden.

1 december 2004. Van het Psychiatrisch Ziekenhuis verhuis ik naar Beschut Wonen De Sprong. Officiële verblijfplaats: E.V.4B. We wonen met vijf in een woning. Ik mag in mijn handjes klappen, want ik ben daar echt wel content. Als je iets kwijt wil, kan je het altijd zeggen tegen de begeleiding of de andere bewoners. De sfeer is vrij open.

Sinds kort vind ik ook via SAS steun bij lotgenoten. Babbelen met hen doet mij veel deugd. Niet voor niets staat de afkorting voor Sociaal Actief Samenwerken. SAS wil meedenken met mensen met een psychosociale kwetsbaarheid, hen ondersteunen en aanzetten tot actie. Samen gaan we naar de cinema, naar een spelletjesnamiddag, naar de markt of een handwerkmoment. De patiënten komen in ‘een sas’ terecht. Het schip wordt naar hogere wateren begeleid om zo in volle zee te geraken. Stap voor stap terug naar de maatschappij. Bijvoorbeeld: eerst ging ik zwemmen met begeleiding; nu ga ik elke week samen met een andere bewoner zwemmen, met de lijnbus. Ik heb altijd graag gezwommen. Het feit dat we dat nu met ons tweeën kunnen doen, dat vind ik plezant. Ondertussen is het een gewoonte geworden. Het doet deugd te ontdekken dat ik ook iets kan betekenen voor anderen. In het ontmoetingshuis De Honk bijvoorbeeld, kook ik regelmatig soep.

Tomatensoep, pompoensoep, champignonsoep, noem maar op. Dat gaat goed. Sinds kort ga ik op donderdagnamiddag ook naar De Schakel. Daar vind ik steun bij lotgenoten. Ze begrijpen mij. Ik kan er dingen kwijt in vertrouwen. Duidelijker kan ik het begrip SAS niet uitleggen. Sinds ik deelneem aan de activiteiten van SAS, is mijn daginvulling voller en rijker geworden.

Herstelgericht denken is nog zo’n sleutelbegrip. Men verwacht van het personeel dat ze een eind weegs gaan met ons en dat we samen schrijven aan een verhaal waarin vooruitgang geboekt wordt. De begeleiding behandelt mij niet langer als een patiënt die verzorging nodig heeft, maar als mens. Tijdens onze gesprekken focussen we nu minder op dagelijkse dingen en meer op herstel. Ik mag vertellen over mijn verleden, heden en toekomst en we kijken samen wat we nog kunnen verbeteren. Mijn begeleidster stimuleert me daarin. Dan zegt ze: ‘komaan hé, een tandje bijsteken!’ Het zijn heel intense gesprekken. Soms is het confronterend en komen er opnieuw herinneringen naar boven, maar ik ben wel op de toekomst gefocust. Graven in het verleden, ploeteren in het NU en plannen maken voor de toekomst. Wat die toekomstdromen dan zijn? Opnieuw gitaar spelen. Ik ben ook veel met taal bezig. Ooit ben ik begonnen met een opleiding vertaler. Ik zou graag opnieuw Chinees leren, of Perzisch.’

Ria