Hoe heilzaam is psychotherapie?

 

Wetenschappelijk onderzoek in elim

In de schoot van de wetenschappelijke commissie en in het verlengde van een vroeger onderzoek naar de resultaten van de behandeling in elim, werd een outcome-onderzoek opgezet in samenwerking met Universiteit Gent. Dit onderzoek richtte zich, naast een beperkt kwantitatief luik, voornamelijk op het beschrijven van het therapeutisch proces en het begrijpen van de effecten van psychotherapie vanuit het individuele patientperspectief. Aan de hand van de analyse van diepte-interviews met 22 exclienten van elim, vijf jaar na het beeindigen van hun behandeling, werd een model ontwikkeld dat inzicht biedt in de ervaringen van verandering. We geven de belangrijkste bevindingen uit dit onderzoek weer.


Aantoonbare verbetering in persoonlijk welbevinden

Het kwantitatieve luik van het onderzoek leert ons dat clienten bij het beeindigen van de behandeling in elim een aantoonbare verbetering ervaren in hun persoonlijk welbevinden, die zich doorzet tot vijf jaar na de behandeling. Hoe deze verbetering te begrijpen valt, is echter niet af te leiden uit de cijfers. Het kwalitatieve luik van het onderzoek werd dan ook opgezet vanuit de onderzoeksvragen ‘Welke veranderingen hebben clienten ervaren in de periode tijdens en na hun opname in elim?' en ‘Hoe kunnen we het tot stand komen van deze verandering begrijpen?’. Het onderzoek toont aan dat clienten tijdens en na de behandeling in elim veranderingen ervaren op verschillende existentiele levensdomeinen, die op een complexe manier op elkaar inspelen, zoals weergegeven in schema 1.

 

 

De meerderheid van de clienten beschrijft hoe de behandeling in elim al vroeg leidt tot een gevoel van ‘behoren’, tot verbinding met anderen en het leven, vaak in contrast met gevoelens van eenzaamheid in de buitenwereld (I). Dit gevoel van verbinding vormt een belangrijk fundament om zich te kunnen engageren in de behandeling en verandering in andere domeinen mogelijk te maken. Voor bijna alle bevraagde clienten zorgde de behandeling voor een soort van ‘openbaring’, enerzijds met betrekking tot inzicht in zichzelf en de ervaren moeilijkheden, anderzijds met betrekking tot het ervaren van nieuwe manieren om emoties en gedachten uit te drukken (II). Ook dit faciliteert verandering op andere domeinen later in de behandeling. De meest opvallende verandering is de verandering op het niveau van persoonlijkheid of karakter (III), waarin clienten doorheen en na de behandeling een toegenomen mildheid beschrijven naar zichzelf en anderen toe, en zich als meer onafhankelijk ervaren. Dit laatste impliceert dat er meer erkenning ontstaat voor eigen grenzen en meer ruimte om grenzen te stellen. De verandering in persoonlijkheid gaat samen met veranderingen in het leven (IV), in hoe met zaken om te gaan, in soms ingrijpende levenskeuzes. Tenslotte beschrijft Timeline During treatment Model ervaring van verandering Before impatient treatment During and after treatment I: Reconnection (Others - Life) III: Altered self (Personality) V: Altered expectations and ideas about healing IV: Life changes II: A revelation (Insights) C Possibility to congregate and evolve D: The exterior word Society - Reality Personal context Pre treatment Post treatment A The person's: What When How B Therapy centre: Overall frameword Treatment offer Theratpist Group Life history Health care experiences geen van de clienten het gevoel ‘genezen’ te zijn. In plaats daarvan begrijpen de meesten herstel als een proces dat nog steeds aan de gang is, waarin een stuk acceptatie leidt tot bijgestelde verwachtingen, maar waarin enkelen ook teleurstelling ervaren in zichzelf of in psychotherapie.


Verklaringen voor de ervaren verandering

Een verdere analyse van de onderzoeksgegevens resulteert in een model (zie schema 2) dat inzicht biedt in hoe deze veranderingen verklaard kunnen worden.

 

Het verklaringsmodel bevat vier bouwstenen die zich tot elkaar verhouden en op elkaar inspelen, die evolueren doorheen en na de behandeling, en die helpen iets te begrijpen van de veranderingen die clienten ervaren en de individuele verschillen hierin.
De eerste bouwsteen (A) heeft te maken met clientkarakteristieken, met zijn of haar verwachtingen, met het moment en de wijze waarop hij of zij de behandeling start, en hoe hij of zij zich positioneert ten aanzien van de behandeling (afhankelijk-passief/ assertief-actief/overactief/onafhankelijk-afstandelijk).
Een tweede component (B) heeft te maken met karakteristieken van het therapeutische kader, waarbij elim als totaalervaring aangehaald wordt, de verhouding tot de autonomie, vrijheid en verantwoordelijkheid, de connectie met een bepaalde therapeut, met een groep, …
Verder sterk bepalend voor verandering is de mate waarin het mogelijk is dat de relatie tussen client en therapeutisch kader doorheen de behandeling kan evolueren in de richting van grotere afstemming (C). De client kan een meer vruchtbare verhouding vinden tegenover de therapie, bv. evolueren van een passieve naar een actieve houding, en de therapeutische benadering kan meer afgestemd worden op de (veranderende) noden van de cliënt.
Tenslotte (D) is de verhouding tot de wereld buiten elim een belangrijke factor, waarbij de veiligheid van elim mogelijkheden opent, maar soms ook de terugkeer bemoeilijkt en waarbij het betrekken van de persoonlijke context vaak invloed heeft op de mogelijkheid tot verandering.
Zowel het model van ervaren verandering, als het verklaringsmodel over hoe deze veranderingen tot stand kwamen, geeft belangrijke feedback om de klinische praktijk in elim verder richting te geven en te verfijnen.


Gezondheid als capaciteit om zorg te dragen voor zichzelf

De onderzoekers komen tot verschillende conclusies. Eerst en vooral besluiten ze dat het resultaat van behandeling bepaald wordt door een complexe interactie van een persoon met zijn kenmerken en geschiedenis, de specificiteit van het therapeutisch centrum, en de buitenwereld in een uniek proces doorheen de tijd. Hoewel dit vanzelfsprekend lijkt, staat het haaks op heel wat gehanteerde outcome-metingen die de klinische praktijk te motiveren.

Een tweede conclusie heeft te maken met het begrip van herstel of genezing. De resultaten van het onderzoek tonen aan dat de effecten van behandeling geen lineair patroon volgen, maar sterk fluctueren doorheen de tijd. Mensen kunnen aangeven zich slechter te voelen na therapie, maar toch vooruitgang ervaren. Het geeft iets weer van de moeilijkheid om proces en uitkomst te scheiden in onderzoek naar therapeutische behandeling. Daarbij aansluitend geven mensen na therapie niet aan ‘genezen’ te zijn, maar bijna iedereen geeft aan ‘veranderd’ te zijn op een meer existentieel niveau, in de verhouding tot zichzelf, de ander en het leven. Het brengt ons bij de belangrijke ethische kwestie hoe ziekte en gezondheid geconceptualiseerd worden. Zulke concepten liggen immers aan de basis van metingen in psychotherapie en outcome-onderzoek. Gezondheid werd vroeger vooral begrepen als de afwezigheid van ziekte en het ervaren van een algeheel lichamelijk, psychologisch en sociaal welbevinden. Vandaag wint het beeld van ‘positieve gezondheid’ aan terrein. Gezondheid wordt dan gezien als de capaciteit om zorg te dragen voor zichzelf in een context van psychologische, lichamelijke en sociale uitdagingen.

Deze manier om te kijken naar gezondheid sluit beter aan bij de klinische praktijk, waarbij de behandelingsfocus verschuift van symptoomreductie naar de mogelijkheid om te gaan met moeilijkheden terwijl het leven toch als waardevol blijft voelen. Ook in wat de deelnemers aan het onderzoek verwoordden over gezondheid en verwachtingen naar behandeling, vinden we dit terug.