Mensengenezers, bij ons en in Congo


                                                 

 

Koen Peeters schrijft boeken sinds 1988 en combineerde zijn schrijversbestaan lange tijd met een baan bij KBC. Zijn bekroonde boek De Mensengenezer (2017) is geïnspireerd op het leven van zijn leermeester, psychoanalyticus en professor antropologie Renaat Devisch. Hoe ziet hij de figuur van de mensengenezer, in Congo en bij ons?


‘Ik ben communicatiewetenschapper en antropoloog en de wereld van de psychiatrie is me vreemd. Wat me echter intrigeert in de psychoanalyse en in het werk van Freud, is de visie op de mens als een wezen dat je nooit helemaal kan vatten en dat altijd zaken onuitgesproken laat. Ook de Franse psychoanalyticus Lacan zegt: ‘méfiezvous de comprendre’. Als je denkt dat je het helemaal begrijpt, dan ben je mis. Zo’n gedachte vind ik als schrijver fascinerend.’


‘In Congo bestaan er verschillende vormen van genezers. Bij de Yaka, in de streek waar Renaat Devisch heeft gewerkt, heb je bijvoorbeeld de figuur van de waarzegger. Via een vreemd ritueel doet deze tovenaar iets wat in wezen overeenstemt met de taak van een psychiater. Het gaat erom dat mensen, ik noem ze bemiddelaars, een bepaalde rol opnemen voor de medemens, waarbij ze het onzegbare op de één of andere manier manipuleerbaar maken, zodat mensen daarmee kunnen leven, vooruit kunnen met hun kwetsuren, trauma’s of rare dingen die in de familie zijn gebeurd. Dat vind ik intrigerend. Terwijl psychiaters hier nog heel snel vervallen in medicalisering of isolatie, gebeurt dat in Congo nog heel erg in een sociale context. Iemand voelt zich bijvoorbeeld niet goed en vertelt zijn droom aan een tovenaar. Zonder dat deze waarzegger veel informatie heeft, antwoordt hij: ‘Ik zal er eens over slapen’. Hij slacht een kip, krijgt zelf een droom. De volgende dag geeft de waarzegger een onduidelijke boodschap, soms lijkt het op raaskallen, in combinatie met rituele dansen, al dan niet in trance, en aanraking van het lichaam. Die persoon keert op de één of andere manier versterkt weer naar huis. Voor ons, westerlingen, is dat heel vreemd, maar au fond zijn onze rituelen heel gelijkaardig, ook al uiten ze zich in andere metaforen: je bezoekt een psychiater en betaalt de dokter. In Congo ga je met een klein probleem naar de dorpstovenaar. Word je met een groot probleem geconfronteerd, dan ga je verder. Dat doen wij ook. De specialist van twee dorpen verder is niet goed genoeg, je moet naar Leuven. Het klinkt misschien primitief, maar uiteindelijk zijn wij allemaal mensen met verschillende culturen die anders gearticuleerd zijn. Met De Mensengenezer wilde ik een spannend verhaal brengen en een filosofisch boek schrijven dat aantoont dat de afstand tussen de Congolese wereld en die van ons niet zo groot is als het lijkt. En dat je een andere cultuur kan proberen te begrijpen, maar je zal er nooit een deel van worden.’


Mensengenezers zijn bemiddelaars. Mensen die, en dat vind ik interessant, vaak door een persoonlijke geschiedenis in het beroep rollen. Dat is ook een centrale stelling in mijn boek: je hebt de geest, de genius en de daimon, die samen bepalen waarom we worden wie we zijn. De geest slaat op de familiegeest: genetica, gezinssituatie, alle al dan niet verzwegen familieverhalen en -trauma’s. De genius loci is de plaatsgeest: de plek waar je geboren bent, opnieuw inclusief alle bijbehorende verhalen. Beide vormen je, maar los daarvan heb je nog een heel dynamisch veld van ontmoetingen die alles doorheen halen. Ik geloof met andere woorden bovenal in mensen die aan je verschijnen met een boodschap. Oude mensen kunnen in al hun wijsheid zo die momenten in hun leven aanduiden. Door te praten en anderen te ontmoeten, zien mensen het verband, krijgen ze een beter begrip en veranderen ze. Het is tegelijkertijd een vervreemding en een verrijking. Vaak gaan mensen ver weg om anderen te ontmoeten en vervolgens terug thuis te komen en vast te stellen dat ze veranderd zijn. Opeens zien ze de relativiteit van hun eigen keuzes en de creativiteit van anderen. Zelf reisde ik tijdens het schrijven van dit boek in het spoor van Renaat Devisch, van de boerderijen in de Westhoek, langs jezuïetenkloosters in Drongen en Kinshasa tot in Kwango. Ik ben niet helemaal tot in het Yaka-dorp getrokken. Toen iemand me vroeg: ‘Ben je de zoon van Renaat Devisch?’, wist ik dat ik dicht genoeg zat en kon terugkeren.’


‘Wat het belang is van verhalen? Via verhalen kan je dingen met elkaar verbinden en ze helpen je naar betekenis te zoeken. Mensen geven van alles aan mekaar door via de genen, maar ook verhalen zijn dankzij hun narratieve structuur krachtige doorgeefluiken.’

 

Bron: jaarboek 2018