Samen eten


‘Ik vind het hier wat te druk vandaag. Ga je met mij mee eten in het gasthuis vanmiddag?’, vraagt Benny aan zijn persoonlijk begeleider Davy. Sinds 2017 is het de normaalste zaak van de wereld dat op zorgeenheid Kering patiënten samen met hulpverleners gaan lunchen.

 

                                                          

Zoals een gezin

‘Hoe kunnen we onze zorg voor patiënten menselijker maken?’ Die vraag stond in 2017 centraal voor het team van Kering van PZ Bethaniënhuis, een gesloten eenheid voor mensen met een psychotische problematiek. ‘Zo kwam het idee om samen met de patiënten te eten’, vertelt verpleegkundige Davy Vanoppen. ‘Je kan je afvragen wat de therapeutische meerwaarde is van een dergelijk project, maar voor mij brengt het de normaliteit binnen. Je zit samen aan tafel met patiënten, net zoals in een gezin.’

‘Een dag wordt georganiseerd rond de verschillende eetmomenten: ontbijt, middagmaal, avondmaal’, vult collega en sociotherapeut Jill Van de Wiele aan. ‘Nu zijn die structuurmomenten ook ontmoetingsmomenten geworden. Je eet samen als twee gewone mensen. Er ontstaat een spontaan gesprek, en dat hoeft niet altijd over zware onderwerpen te gaan. Zo kan je als hulpverlener op een heel laagdrempelige manier in contact komen met patiënten, dat vind ik heel verbindend.’

‘Voor mij zijn het soms de mooiste momenten van de dag’, gaat Davy verder. ‘Toen ik hier begon te werken, zetten de hulpverleners zich altijd apart om te eten. Samen lunchen met patiënten was ondenkbaar. Vroeger waren de koelkasten ook op slot. Een patiënt moest zelfs toestemming vragen aan de hulpverleners om een boterham te eten. Door initiatieven als samen eten, krijg ik meer een wij-gevoel.’

Open praten

‘We nodigen iedereen uit om mee te eten’, vervolgt Jill, ‘maar het is geen verplichting. In de psychosezorg, waar mensen zich soms verliezen in psychotische betekenisgeving, kan het helpen om iemand voor even in het hier en nu te trekken door samen een boterham te eten. Het creëert niet alleen een rustmoment voor begeleiders én patiënten, we merken ook dat patiënten de neiging hebben om opener te praten, dat het vertrouwen groeit.’

‘En dat creëert kansen om samen met patiënten te zoeken naar dingen waar zij nog van dromen’, besluit Davy. ‘Zo focus je niet zozeer op het negatieve of de pathologie, maar op de dingen waar iemand voor gaat en staat. Je bent niet de dingen die slecht gaan, je bent de dingen die goed gaan. Anders ben je verloren.’

Jill knikt: ‘Als hulpverlener vind ik het belangrijk dat we ‘het verlangen verlangen’. Dat we niet zelf gaan invullen wat het verlangen van de patiënt moet zijn, maar het verlangen of de hoop koesteren dat iemand met zijn verlangen aan de slag gaat. Dat is voor mij de essentie van menselijkheid.’

Ook patiënten merken een verschil op. Stef Stassen* werd 15 jaar geleden opgenomen op Kering en recent opnieuw: ‘Vroeger zat de begeleiding apart achter gesloten deuren. Ik had soms het gevoel dat er over me geroddeld werd, dat ik opgesloten was en veel regels opgelegd kreeg. Nu zitten de zorgverleners mee in de refter. Als patiënt krijg je de indruk dat teamleden op gelijke hoogte staan en dat we samen een leefgroep zijn geworden. We maken samen het ontbijt klaar, we maken grapjes, je krijgt raad. Het contact wordt opener en je bouwt een hechtere band op. Dat maakt dat je vrijer durft te praten over je problemen, bijvoorbeeld over druggebruik. Maar begrijp me niet verkeerd, ik ben niet tegen regels, je mag er ook niet te los mee omgaan.’


* Stef Stassen is een schuilnaam.